Dat ick U.W.E. Brief niet beantwoort en hebbe / is een deels geschiet / om datse geen Anwoort en vereijschte / eendeels oock, om dat my bekent was / dat alle toestandt hier te Swolle U.W.E. door Vermeer verwittiget wierde. Niettemin en conde ick mijn schrijven niet geheel laten / want dat soude wesen tegen mijn behoor / als oock tegen onse oude ge- woonte / so dat ick met deses U.W.E. begroete / en aengesien ick niet sonderlinges te schrijven hebbe. Alleen sal mij voor materie konnen dienen / eenige nieuwigheden / daer onbekent synde. Als dat drie gecommitteeerde Borgemeesters der drie Hooftsteden deses provintis, eenigen tijd om de bekende verschillende saecks tot jalousis der Edelen, gebesognieert hebben / en soudent wel eens gewoorden hebben / ten waren seker contract tusschen die van Deventer, en die van Hasselt, en Steenwijck opgereght / als te weten: dat dese twee laetste Steden mede een stemme respective in de Vergaderingen van Ridderschap en Steden souden hebben / belet hadde. Want dit punct alleen is van sulcken swaren gewichte / datter cleyne apparentis tot de versoeninge desen provintie schijnt te wesen. Ons BorgeMr Wolfsen heeft de Stadt bedanckt om dat hij neffens ses andere State van Brabant geworden is / en gaet in 's Hartogen Bosch woonen. Onse Scholte heeft gisteren doende geweest, voor de deure van Joffer van Haersholte / met een grooten Smits Hamer daer op te slaen / mien niet dat hij 't gedaen soude hebben / so Joncker van Oldenziel die noch te Heijne is / te huijs geweest hadde: hoe dit af wil loopen / staet te verwaghten. Wy hebben nu dagelijcks weynigh dooden / maer voor desen synder genoech / en daer onder, oock goede vrienden / geweest. Ende namentlyck: mijn Vrouw van Steenwijck, is te Vollenho gestorven / en met een Wage tegen den Avont hier gebraght / om eenige uijren hier na begraven te worden / maer veroorsaeckte sulcken grooten toeloop van menschen / dat se het mosten staken / vreesende voor een onheijl / ende onteeringe: maer 't volck wegh synde / hebben haer 's naghts tusschen donderdagh ende vrijdagh begraven / en daer na is hier gevolght (om dat het hier niet gebruyckelyck en is) groote opsprake / ende verscheijden oordeelen / so dattet best hadde geweest / dat se haer E. bij den dach landts wijse begraven hadden. Jr. Bruijns eenighst Sone op de Weteringen / synde met een kneght op de reijse na Borcken, wort in de herberge 's morgens doot in syn bedde gevonden / is van een hertvanck / ofte desgelijcks gestorven. Veele / die dit Somer uijt de Stadt geweest hebben / comen wederom binnen / gelijck ick verhope dat U.W.E. oock haest doen sal / om syn Edleijts tegenwoordichheijtte genieten: het welcke ons Godt met lieve wil gunnen / in Wiens Goddelycke bescherminge ick U.W.E. neffens syn bywesende geselschap bevele / ende altyd blijve. Mijn Heer U.W.E. Ootmoedigen en Getrouwen Dienaer A.Waeijer